top of page
18130612522261962.jpg

Gedachten en gevoelens van je kind

Hoe het brein werkt

(en waarom je kind niet kiest wat het denkt of voelt)

Het gedrag van je kind ontstaat niet zomaar.

Het is mede het resultaat van verschillende delen van het brein die elk hun eigen taak hebben. Die delen werken altijd samen, maar niet altijd in dezelfde volgorde.

1. Het onderbewuste brein – automatisch en razendsnel.  Het grootste deel van wat je kind denkt, voelt en doet, gebeurt onderbewust.  Daar zitten patronen in opgeslagen: wat eerder hielp om spanning te verminderen. Wat veiligheid gaf en welk gedrag zorgde afwijzing, falen of pijn. 

Dit brein stelt geen vragen en denkt niet na. Het reageert automatisch.

Daarom zie je soms hetzelfde gedrag terugkomen, ook al weet je kind dat het iets anders zou willen.

2. Het reptielenbrein – overleven en beschermen

Dit is het oudste deel van het brein. Het heeft maar één taak: overleven. Het stelt voortdurend de vraag: “Ben ik veilig?”

Als het antwoord onzeker is, neemt dit brein over. Dan zie je reacties zoals: vechten (boos worden, roepen) vluchten (vermijden, weggaan) bevriezen (dichtklappen, niets meer zeggen)

In deze stand is er geen ruimte om te redeneren.

3. Het zoogdierenbrein – emoties en verbinding

Dit deel van het brein gaat over: gevoelens, hechting, erbij horen.  Hier worden emoties zoals angst, verdriet, schaamte, boosheid, maar ook plezier en verbondenheid bestuurd. Dit brein is sterk afgestemd op anderen.

Een blik, een toon of een zucht kan al genoeg zijn om emoties te activeren.

Als dit brein geraakt wordt, reageert een kind vaak emotioneel, niet rationeel.

4. Het denkende mensenbrein – nadenken en kiezen

Dit is het jongste breindeel.Hier kan je kind: nadenken, plannen, relativeren, oplossingen zoeken en woorden geven aan wat er speelt.

Maar… dit brein werkt alleen goed als de andere breindelen rustig zijn.

Bij stress, angst of overweldiging wordt dit brein afgesloten, het 'mag' niet meer meedoen omdat het te traag is en teveel energie nodig heeft.

Wat betekent dit voor jou als ouder?

Je kind kiest zijn gedachten en gevoelens niet. Gedrag is vaak een signaal van een brein dat bescherming zoekt. Eerst rust en veiligheid, dan pas praten of bijsturen. Of eenvoudiger gezegd: Je kan pas nadenken als je je veilig voelt.

Schermopname_9-2-2026_112543_www.bing.com.jpeg

Wat betekent dit voor mijn kind?

 

Als je dit weet over het brein, wordt één ding duidelijk:

je kind kiest zijn gedachten en gevoelens niet.

Gedachten schieten automatisch in het hoofd, zowel bij kinderen als bij grote mensen.

Gevoelens volgen, helemaal automatisch. Hierover hebben we niets te zeggen.

Gedrag is vaak een reactie op wat er vanbinnen gebeurt, niet op wat er vanbuiten gevraagd wordt.

Dat betekent: je kind doet niet moeilijk, je kind kan het soms écht even niet.  Gedrag is vaak een signaal, geen onwil. 

 

Waarom “gewoon geruststellen” niet altijd helpt

Als het onderbewuste brein overneemt, hoort je kind jouw zinnen zeggen als: “Je kan dat wel” “Het is niet zo erg” “Doe eens rustig”… maar het brein ervaart nog steeds gevaar.

Wat er dan gebeurt: het gevoel zakt niet.

Het gedrag verandert niet en grote kans dat jij je machteloos of gefrustreerd voelt.

Niet omdat je het fout aanpakt maar omdat begrip vóór oplossing komt.

Eerst veiligheid, dan pas denken. 

Het denkende brein (dat kan redeneren en leren) komt pas terug 'online' als je kind zich voldoende veilig voelt.  Dat vraagt niet om lange gesprekken, juiste woorden of perfecte reacties.

Wel vraagt het om vertragen, erkennen en nabij zijn. 

Meestal is erkenning al genoeg: “Ik zie dat het te veel is.” “Je hoeft dit nu niet op te lossen.” “Ik ben bij je.” 

Je kan wel de omstandigheden helpen creëren waarin je kind tot rust komt.

Dat begint met: anders kijken naar gedrag, begrijpen wat eronder zit, in kleine en haalbare stappen en goed zorgen voor jezelf. Want je kunt van jezelf niet verwachten rustig te reageren als jouw brein in overdrive is.

Hoe een spiraal kan ontstaan

(en hoe die er ook anders kan uitzien)

Een niet-helpende spiraal

Het is avond.

Morgen is er een toets. Je kind zit aan tafel, staart naar het boek en zegt: “Ik kan dit toch niet.”

In zijn hoofd komt meteen de gedachte op dat het te moeilijk is, dat anderen dit wel zullen kunnen, dat hij zal falen. Zijn lijf reageert sneller dan hij kan nadenken: de buik spant aan, de ademhaling versnelt, er komt onrust.

Omdat dat gevoel onaangenaam is, wil het brein ervan weg. Je kind begint te wiebelen, klaagt, wordt boos of sluit zich af.

Jij probeert te helpen: je stelt gerust, motiveert, benoemt wat allemaal wel gaat, wordt misschien zelf wat ongeduldig.

Voor even lijkt het te stoppen maar vanbinnen blijft er onrust.

Het leren lukt niet, de spanning blijft en tegen bedtijd is iedereen moe en gefrustreerd. Wat je ziet, is gedrag.

Wat eronder zit, is een brein dat alarm slaat.

Een helpende spiraal

De situatie is dezelfde. Weer die toets.

Weer die zin: “Ik kan dit toch niet.”

Dit keer gebeurt er iets anders.

Je staat even stil en ziet niet alleen het gedrag, ook wat er vanbinnen gebeurt.

Je zegt niet meteen dat het wel zal lukken.

Je zegt: “Het lijkt alsof je hoofd heel druk is.” of

"Je hebt (waarschijnlijk) een gedachte die niet helpt nu."

Je kind voelt zich gezien.

De spanning zou een klein beetje kunnen zakken. Net genoeg om weer te ademen.

Samen kijken jullie naar wat er nu nodig is.

Geen groot plan. Geen oplossing voor alles. Misschien gewoon tien minuten samen oefenen.

Of even pauze. Of eerst rust in het lijf. Of normaliseren: Dit is wat een brein doet: het wil je veilig houden, dus zegt het dat je het niet kan, dat het te moeilijk is. In de hoop dat je het niet moet doen. Helaas werkt het niet zo op school. Jammer hé.

De toets is nog steeds morgen.

Maar het brein staat niet meer volledig op alarm.

En dat maakt ruimte. Om te voelen. Om te denken. Om een volgende stap te zetten.

Wat kan helpen in het moment zelf

 

Als het brein van je kind in alarm staat, hoeft er niets opgelost te worden.

Wat dan helpt, is eerst weer wat veiligheid voelen.

Dat kan heel klein zijn.

Soms helpt het al om te vertragen en te benoemen wat je ziet: “Ik merk dat dit je spanning geeft.”

Niet om het weg te nemen, maar om te laten voelen: je bent niet alleen.

Je hoeft de gedachte niet te corrigeren. Zinnen als “Je kan dat wel” of “Het komt goed” zijn goed bedoeld, maar komen dikwijls niet binnen wanneer het gevoel nog te groot is.

Eerst mag het gevoel er zijn.

Ook je eigen rust maakt verschil. Een rustige stem, even naast je kind gaan zitten, samen ademen of zwijgen. Het lichaam voelt aanwezigheid sneller dan woorden.

Pas wanneer de spanning wat zakt, komt er ruimte om te kijken naar een volgende stap.

Niet het hele probleem, maar wat nu helpend is. Een korte pauze. Samen beginnen.

Of het even laten liggen. Je hoeft het moment niet perfect te begeleiden.

Als je ziet wat er gebeurt en nabij blijft, doe je al veel.

Dat is vaak genoeg om de spiraal niet verder te laten draaien en soms zelfs om ze zachtjes te keren.

IMG_0637.jpg

En als dit zich blijft herhalen…

Sommige kinderen lopen hier af en toe in vast.

Dat hoort bij opgroeien.

Maar als je merkt dat deze spiralen vaak terugkomen, dat spanning, vermijding of faalangst steeds meer plaats innemen, dan is het zinvol om hier niet alleen mee te blijven zoeken.

Faalangst groeit er helaas niet zomaar uit, zoals vaak wordt gedacht.

Zonder ondersteuning wordt het brein vooral handiger in vermijden, niet in vertrouwen. Dat betekent niet dat er iets mis is met je kind. Het betekent dat zijn brein extra bescherming heeft opgebouwd en dat het helpend kan zijn om daar samen naar te kijken.

Je bent hier welkom. Met je vragen, je twijfels, je vermoeidheid.

Niet om iets te fixen, maar om ruimte te maken voor meer rust, vertrouwen

en draagkracht, bij je kind én bij jezelf.

bottom of page